Stichting IJselboomgaarden

Toen en Nu

 

De fruitteelt in de IJsselstreek vroeger

De fruitteelt in de IJsselstreek ontwikkelde zich vanaf 1870 vanuit enkele fruitbomen bij de boomgaard voor eigen gebruik tot productieboomgaarden. Vanaf begin twintigste eeuw groeit het areaal door goede fruitprijzen als gevolg van de groeiende binnenlandse consumptie en toenemende export. De boomgaarden variëren van 0,5 ha tot wel 8 ha. De meeste boomgaarden werden aangeplant op de vruchtbare stroomruggen dicht langs de rivier en later ook op ruggen op de lagere komklei. De meeste boomgaarden lagen aan weerszijden van de IJssel tussen Zwolle en Deventer. Tussen 1940 en 1950 was het areaal 2300 hectare groot. Er werden vooral appelen en peren geteeld. De agrarische bedrijven kenden toen de combinatie van akkerbouw, fruitteelt en melkveehouderij. De wisselende inkomsten uit de drie vormen van productie werden zo gecompenseerd. De fruitteelt paste ook goed in de arbeidsspreiding van het werk op de boerderijen (oogst in september en oktober en snoeien in het voorjaar). Ook werden er bijenvolken gehouden, zo’n 5 volken per ha fruit.

De afzet van het fruit werd op verschillende wijzen geregeld. Het fruit werd op stam via bieding of verpachting bij inschrijving verkocht De koper was zelf verantwoordelijk voor het plukken van het fruit. Ook werd het fruit wel geplukt en vervolgens aangeboden markten in de verre omtrek. Later kwamen er coöperatieve fruitveilingen in Wijhe, Olst (1921-1967) en Deventer (1906-1986 later Twello).

De IJsselstreek kent geen traditie op het gebied van (industriële) verwerking. In Veessen stond een appelstroopfabriekje en de vleesconservenbedrijven Meester in Wijhe en Olba in Olst hebben een periode appelmoes en kersen op sap geproduceerd. Daarnaast werd er fruit gedroogd met nawarmte bij plaatselijke bakkers en bij de steenfabrieken.

Het assortiment was tamelijk uitgebreid. De belangrijkste rassen appels waren de Sterappel, de Schone van Boskoop , Lemoen, Notaris, Yellow Transparant, Jonathan, Groninger Kroon, Present van Engeland, Bramley’s Seedling en de zoete variëteiten als de Zoete Kroon, Zoete Pippeling, Dijkmanszoet, Zoete Bloemee. Bij de peren waren de Juttepeer, Legipont,Winterjan, Zoete Brederode, Gieser Wildeman, Clapp’s Favourite, Conference en Zwijndrechtse wijnpeer de belangrijke rassen.

De deskundigheid op het gebied van de fruitteelt kwam door het volgen van scholing bij de fruitteeltvakschool in Terwolde. Die was van 1937-1985 aan de Molenweg gevestigd.

De hoogstamfruitteelt duurde tot in de vroege 60-er jaren. In die periode kwamen de laagstambomen in opmars. Onder invloed van stijgende lonen, specialisatie, ontmenging en intensivering van de agrarische productiesystemen en nieuwe teeltinzichten met laagstam productie werd hoogstamteelt economisch onaantrekkelijk. Met premies van de overheid werden de meeste boomgaarden gerooid. De eerste rooiregeling voor Nederland was in 1953. In 1957 volgde een tweede regeling en in 1970 volgde een rooiregeling vanuit de EEG. Tussen 1968 en 1973 werden in Nederland ongeveer 17.000 hectaren hoogstamboomgaarden gerooid. De resterende boomgaarden werden niet meer onderhouden en jaarlijks stierven er bomen af. Daarmee is de hoogstamboomgaard als karakteristiek element in het IJssellandschap grotendeels verdwenen. Met de bomen verdwenen echter ook de traditionele fruitrassen omdat die niet als laagstam geteeld werden, mede door de introductie van nieuwe meer oogstzekere rassen.

Hernieuwde belangstelling

Vanaf eind jaren negentig is er echter weer een groeiende belangstelling voor het behoud van hoogstamfruitbomen, vooral bij buitenlui die op vrijkomende boerderijen komen wonen. Daar is een combinatie van redenen voor. Een belangrijke reden is de (cultuur)landschappelijke en natuurwaarde. Steeds meer mensen krijgen oog voor de inpassing van hun woning of bedrijf in het landschap en daarmee voor het herstel van de oorspronkelijke erfbeplanting en boomgaard. De bomen tekenen en kleuren het landschap, zorgen voor afwisselende begroeiing en verlenen het erf zijn karakteristieke, oorspronkelijke aanblik. Hoogstamfruitbomen zijn het domein van veel insecten en geliefd bij de verschillende soorten vogels. Oude bomen met holten in de stam bieden broedgelegenheid aan steenuilen en vleermuizen. Eigenaren waarderen ook de variatie aan fruit die jaarlijks wordt geoogst en het onderhoud van een boomgaard is een aardige vrijetijdsbesteding inclusief het verwerken van het fruit. Door aanplant van nieuwe bomen worden ook de traditionele fruitrassen in stand gehouden. Bij een groeiende groep mensen in de streek is er vraag naar onbespoten fruit en naar de smaken van de traditionele rassen. Het sap van het hoogstamfruit vindt gretig aftrek.

Voor aanvullende informatie zie de website cultuurhistorisch landschapsbeheer en de kennisbank hoogstamfruit.